Rien Eykelenboom•4 jaar geleden 1. Criteria vergunningsvrij. Er wordt vanuit gegaan dat nieuwe omgevingsplannen in beginsel moeten gaan voldoen aan de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet kent als uitgangspunt "Ja, tenzij". De vergunningsvrije ruimte kan worden vergroot zolang men binnen de kaders van het omgevingsplan blijft. De consequentie daarvan is dat er moet worden vastgesteld welke activiteiten vergunningsvrij zijn en welke als vergunningsplichtig moeten worden beschouwd.Het simpele feit dat een activiteit doorgaans vergund wordt, is niet een solide criterium om het in te delen als vergunningsvrij. De indeling vergunningsvrij/vergunningsplichtig kan gebeuren aan de hand van criteria zoals:- geen of zeer weinig gevaar voor de veiligheid en/of volksgezondheid- geen of zeer weinig gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving ( de wet kent diverse aspecten waarmee rekening gehouden moet worden)- geen of zeer weinig invloed op de belangen van derden. - geen invloed op monumenten en hun omgeving - geen milieubelastingOp deze wijze wordt zeker gesteld dat vergunningsvrije activiteit geen schade kunnen berokkenen aan anderen of de essentiële belangen van derden niet worden geschaad.Voorbeeld Kreileroord: het verhogen van bestaande bouw of het uitbouwen van een huis geeft weliswaar meer woonruimte voor de initiatiefnemer maar voor zijn buren kan dit leiden tot meer schaduw, inkijk of een blinde muur. Welke grenzen worden dan gehanteerd om de effecten van op- of uitbouwen acceptabel te houden.Voorbeeld monument: de Omgevingswet beschermt monumenten en hun omgeving; dit houdt in dat een rijksmonumentenactiviteit vergunningsplicht is. Ook de omgeving van het monument valt volgens het besluit kwaliteit leefomgeving onder de vergunningsplicht, als dit voor het behoud van het monument van belang is. Daarmee kan een activitieit in de omgeving feitelijk vergunningsplichtig worden. 2. Toetsing en controle vergunningsplicht. De initiatiefnemer dient een (digitale) toets uit te voeren om te bezien of zijn activiteit al dan niet vergunningsplichtig is. Hiervoor kan een webtool worden ingericht. De uitkomst is afhankelijk van kwaliteit van de invoer door de initiatiefnemer. Om te kunnen beoordelen of initiatiefnemers ten rechte tot de conclusie komen dat hun plan vergunningsvrij is, is het zeker bij de invoering van de Omgevingswet gewenst dat elke toetsing gemeld wordt bij de gemeente. De gemeente kan dan beoordelen over de vergunningsvrij-toets correct is uitgevoerd, bijvoorbeeld door een steekproef. Hoewel thans de gemeente niet nagaat of activiteiten door een initiatiefnemer terecht als vergunningsvrij worden aangemerkt, is de gemeente als bevoegd gezag mbt de omgevingswet wel gehouden (actief) toe te zien op de juiste uitvoering van deze wet. Het volstaat niet als aangeven wordt dat de toetsing van de vergunningsplicht een verantwoordelijkheid is van de initiatiefnemer en de gemeente niet op de hoogte behoeft te zijn van de toetsing. De verantwoordelijkheid voor de bewaking en handhaving van de uitvoering van de wet ligt niet bij de belanghebbende maar bij de gemeente. Daarin dient zij actief op te treden. 3. Concrete normen/kaders. Om de vergunningsvrij-toets goed te kunnen uitvoeren, is het van belang dat in het omgevingsplan concrete en begrijpelijke normen of kaders worden gesteld. Zo kan een maximale bouwhoogte worden gedefinieerd. Beschrijvingen zoals "geen significante invloed op" of "geen relevante hinder" zijn voor de initiatiefnemer te vaag om een goede vergunningsvrij-toets zelf adequaat te kunnen doen. Worden dergelijke termen toch gebruikt, dan is er sprake van een subjectieve norm, die interpretabel is voor de initiatiefnemer. In dat geval is het gewenst dmv een vergunningsplicht de afweging hiervan bij de gemeente te leggen. Overigens vraagt dit dan weer om een (intern) beoordelingskader dat bij de gemeente gebruikt zou moeten worden. 4. Participatie. De nieuwe Omgevingswet gaat uit van overleg tussen initiatiefnemer en belanghebbenden. Het is wenselijk dat aantoonbaar is dat een dergelijk overleg heeft plaatsgevonden. Door dit overleg te benoemen als element in de vergunningsvrij-toets, kan worden bewerkstelligd dat overleg daadwerkelijk ook plaatsvindt. Een upload van een wederzijds ondertekend verslag van het overleg kan als bewijs gevraagd worden in de toets. 5. Drietraps-benadering. Als er normen of kaders in het omgevingsplan worden overschreden, dan is gewenst dat de activiteit niet zondermeer vergunningsvrij kan worden uitgevoerd. Immers, de veiligheid en gezondheid, de kwaliteit van de leefomgeving of essentiële belangen van derden kunnen in het geding zijn. Aanbevolen worden dan om de volgende 3-trapsbenadering te volgen.a. Ten eerste worden normen/kaders van het omgevingsplan overschreden? Zo ja, dan is de activiteit vergunningsplichtig.b. Ten tweede worden, bij de beoordeling van de aanvraag, de effecten van de activiteit op de veiligheid/gezondheid, de leefomgeving en belangen van derden nader in kaart gebracht en de ernst van de inbreuken verifieerbaar en onderbouwd bepaald.c. Ten derde worden het belang van de voorgenomen activiteit afgewogen tegen de ernst van de inbreuken aan de hand van vastgestelde criteria. De gemeente maakt deze belangenafweging inzichtelijk in de vergunning.Een dergelijke benadering kan in een procedure worden vervat danwel in het omgevingsplan of zijn toelichting worden beschreven. 6. Randen gebied omgevingsplan. De gebiedsinventarisatie Kreileroord beperkt zich tot het gebied van het omgevingsplan. Daarbij wordt buiten beschouwing gelaten dat activiteiten dichtbij de randen van het plangebied een effect kunnen hebben op de leefomgeving binnen het gebied van het omgevingsplan. Zo kunnen windturbines op korte afstand van het dorp effect hebben op het woongenot en de veiligheid. Of het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw op de volksgezondheid. Of drukke wegen leiden tot geluidsoverlast en meer verkeersrisico's. Het is van belang, met name in de randen van het plangebied, vast te stellen welke effecten van activiteiten buiten het plangebied ongewenst zijn en hiervoor normen en kaders te benoemen. 7. Toekomstige uitbreiding. Opvallend is dat in de gebiedsinventarisatie Kreileroord geen rekening wordt gehouden met een eventuele uitbreiding van de dorpskern. Bij de huidige tekorten op de woningmarkt zou meer aandacht geschonken kunnen worden aan uitbreidingen van bestaande dorpskernen. Dit kan hier gebeuren door potentiële overloopgebieden te benoemen, die binnen of buiten het plangebied vallen.